Als ik dit plantje zie is het een variant van de Alpensla (Cicerbita macrophylla) de (Cicerbita alpina) of (Cicerbita muralis). Een distelachtige en dus gezond voor de schildpadjes.
Mooie foto van de sla:
http://www.natuurfotoalbum.eu/map/showphoto.php?photo=54910&title=alpenmuursla-2c-cicerbita-alpina&cat=548Verder ook nog gevonden als achtergrond info:
De Alpensla, zoals de plant meestal wordt genoemd, behoort tot de overblijvende planten en komt veel voor in de weelderige ondergroei van lichte bossen in de Alpen en de Jura, vooral op de schaduwrijke noord hellingen. In ons land komt ook een plant voor die Alpensla wordt genoemd (Cicerbita macrophylla). Dit is een sierplant uit de Kaukasus. Wel is er bij ons een verwante plant, de muursla (Cicerbita muralis, nu Lactuca muralis) die thuis hoort in oude, humusrijke bossen en ook op muren en bij heggen groeit. Hij is vrij algemeen, meestal op zandgrond. De Alpensla heeft een meer dan 100cm lange stengel. Uit een stevige wortelstok schieten de grote, diep ingesneden bladeren omhoog, met een puntige, driehoekige eindslip. Hun stelen zijn klierachtig behaard en bevatten melksap. De plant groeit snel en heeft eerst tere stengels en bladeren die een onweer niet overleven. De blauwe violette bloemhoofdjes zijn verenigd tot een soort losse pluim (juni-sept. ). Tot eind augustus kunnen de bladeren geoogst worden. De Alpensla en ook de muursla is verwant aan onze kropsla en wordt in de keuken op dezelfde wijze gebruikt. De verse bladeren verrijken saladeschotels, bladeren en stengels worden zacht gestoomd, gegratineerd (gebakken met een korstje van paneermeel) of als spinazie toebereid. Zelfs de wortels zijn te gebruiken.